| Fabrikeurs.
Tot 1830 wordt Twente, dat tot de Franse overheersing een staatkundige eenheid is, bevolkt door een relatief vrij grote, arme boerenbevolking. Nadat de laatste feodale overblijfselen (de zogenaamde Drostendiensten) zijn verdwenen, worden de Markegronden verdeeld en worden tevens grote dele ontgonnen gebied in cultuur gebracht. Dankzij deze agrarische inspanningen haalt Twente wat van zijn economische achterstand in, maar de grote sprong voorwaarts komt pas omstreeks 1830.
Vrijwel alle later machtige Twentse textielfabrikanten stammen af van fabrikeurs of linnenreders. Dit zijn handelaren die oorspronkelijk handelen in alle artikelen, maar zich geleidelijk aan meer toeleggen op textiel. Er wordt vlas verbouwd waaruit garens worden gesponnen. De gekochte garens worden uitgezet bij wevers, meestal boeren die vooral 's winters zo hun inkomsten wat aanvullen. Na betaling van het weefloon wordt het geweven doek door de fabrikeur ingenomen en na nog wat bewerkingen weer verkocht. Als ook katoenen garens worden verwerkt, die uit Engeland worden geďmporteerd, worden de fabrikeurs sterk afhankelijk van de transportmogelijkheden. In 1795 schrijft de Nieuwe Algemene Konst- en Letterbode: "De grootheid der Bombazijfabricq te Enschede kan enigszins gekend worden uit het sterke debiet dat daarvan in onze Zeven Provintien is, daar er bijna geen winkeltje is of men vindt er Enscheder bombazij in." Bombazijn is een weefsel dat geweven wordt van katoen en linnen en waarvan veel werkmanskleding is gemaakt. |