|
Glorietijd.
Rond 1900 zijn in Enschede zeven families die in Enschede niet alleen het economisch opzicht het leven beheersten:
Van Heek, Ledeboer (deelgenoten van Van Heek & Co.),
Jannink, Ter Kuile, Blijdenstein, Scholten en Menko. In Gronau en Glanerbrug zijn verschillende textielfabrieken, zoals de firma Matthieu van Delden & Co.,
Baumwollspinnerei "Eilermark", Baumwollspinnerei "Deutschland", waar een groot aantal arbeiders uit Enschede werkzaam is.
De jaren vóór de Tweede Wereldoorlog vormen in economische zin - de crisistijd even buiten beschouwing gelaten - de glorietijd voor de Twentse textielindustrie. Tienduizenden mensen verdienen hun brood achter de spillen van de weefgetouwen. De fabrikanten verdienen goud aan de uitvoer van katoentjes naar Nederlandsch-Indië.
In menselijk opzicht daarentegen past echter geen hoera-geroep. De arbeidsvoorwaarden zijn slecht; er wordt gewerkt op stukloon waarbij de normen hoog liggen. Gaat het goed met de handel dan wordt het loon wel eens verhoogd; stagneert de afzet, dan worden
onmiddellijk loonsverlagingen ingevoerd. Dat hierdoor enkele grote sociale conflicten ontstaan, zal niemand verbazen. De meeste bedrijven zijn in handen van een paar kleine families (Van Heek, Ledeboer, Gelderman, Ter Kuile, Scholten, enz.) die de absolute macht hebben. |