|
Belgische opstand
Als in 1830 door de Belgische opstand het productiegebied België wegvalt, wordt vervanging gezocht voor de katoenen weefsels die als betaling dienen voor de uit Indië afkomstige koloniale waren. Vanwege de al aanwezige textielnijverheid en omdat de lonen hier laag zijn en er een overschot aan arbeiders is, wordt Twente uitgekozen voor de nieuwe textielactiviteiten van de Nederlandsche Handel Maatschappij. Koning Willem I en de mede door hem opgerichte N.H.M. trachten een exportindustrie op te zetten. Om de Twentse bevolking een nieuwe techniek van weven te leren, worden weefscholen opgezet. Tot dan toe worden op de weefgetouwen meestal de "smietspoelen" gebruikt; de nieuwe snelspoel die met een systeem van koorden door de ketting wordt geslagen levert een driemaal hogere productie op. De eerste weefschool wordt in 1833 in Goor gesticht onder leiding van de Engelsman Thomas Ainsworth. De nieuwe werkwijze is minder inspannend, waardoor vooral kinderen tot wevers worden opgeleid.
De N.H.M. doet driemaandelijkse bestellingen, waarop door een beperkte groep fabrikeurs kan worden ingetekend. Op de bestelling wordt een voorschot verleend. In korte tijd verdrievoudigt de
productie in Twente. De behoefte aan grondstoffen neemt aanzienlijk toe, waardoor de handspinnerijen de vraag naar garens niet meer aankunnen. In 1830 wordt de eerste Twentse stoomspinnerij, de fa. Hofkes te Almelo, opgericht, in 1833 de spinnerij "'n Grooten Stoom" te Enschede. Het vervoer van de benodigde kolen wordt een flink probleem; de kosten van het vervoer waren hoger dan de waarde van de kolen. |